Iemand die z’n hart lucht of een oprechte poging doet contact te maken, zonder ironie? Maud Stamsnijder ziet zichzelf en haar vrienden al in elkaar krimpen van schaamte ‘cringen’. Horen we nog wel wat iemand zegt?
‘Cringe’ is voor veel jongeren inmiddels net zo’n vanzelfsprekend onderdeel van de woordenschat als ‘goedemorgen’. Het beschrijft dat ongemakkelijke, licht gênante gevoel wanneer iemand iets doet dat sociaal onhandig, overdreven of kwetsbaar is. Letterlijk betekent het ‘in elkaar krimpen’, maar in de praktijk is het vaker een collectieve oogrol.
Zo cringede mijn vriendengroep collectief bij het zien van de ‘break-up video’ van vloggers Jade van Vliet en Gio Latooy, omdat het zó in scene leek gezet. Of toen de partner van een vriendin tijdens haar 21-diner een gedicht voordroeg over haar leven. Terwijl het eigenlijk heel lief en aandoenlijk was.
Over de auteur
Maud Stamsnijder is 20 jaar en start in september met de bachelor Interdisciplinaire Sociale Wetenschappen.
Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
Ooit was het een luchtig woord, bedoeld voor plaatsvervangende schaamte waar je samen om kon lachen. Maar ‘cringe’ heeft een metamorfose ondergaan. Het is geen onschuldige grap meer; het is een stempel geworden. Een beoordelingsinstrument waarmee je iemands boodschap kunt afserveren zonder ook maar één inhoudelijk argument te hoeven geven.
Een klimaatactivist die in tranen pleit voor actie? Cringe. Een student die openlijk praat over diens studieschuld? Cringe. Een jong iemand die op sociale media een filmpje deelt terwijl die gaat stemmen tijdens de verkiezingen? Zeker cringe.
Ironische code van cringe
De boodschap wordt niet weerlegd, maar weggevaagd door het ongemak dat ze oproept. Daarmee verschuift de focus van inhoud naar esthetiek: hoe ziet het eruit, hoe voelt het aan – en vooral, past het binnen de ‘ironische code’ van onze online cultuur?
Het wrange is dat authenticiteit, zoals onderzoeker Jean Twenge schrijft in haar boek Generations, dé kernwaarde is van mijn generatie (gen Z). We verwerpen ingestudeerde slogans en gefilterde reclamepraatjes. We zeggen dat we échte gesprekken willen. Maar zodra iemand zonder spot zijn hart op tafel legt, riskeert diegene het cringe-etiket te krijgen.
Zo houden we elkaar gevangen in een ironische kramp. We durven nog wel onze oprechte ideeën te delen, maar alleen met een ingebouwde ontsnappingsroute: een grap, een meme of een knipoog. Alles om te laten zien dat we het zelf óók niet te serieus nemen. Dat is veilig, maar het smoort kwetsbaarheid in de kiem.
Rommelig, imperfect, ongemakkelijk
En kwetsbaarheid is precies wat ons publieke gesprek nodig heeft. Want we leven in een tijd waarin we ons die zelfcensuur niet kunnen veroorloven. Het wantrouwen in instituties neemt toe en maatschappelijke betrokkenheid is harder nodig dan ooit. Met de Tweede Kamerverkiezingen op komst, hebben we jongeren nodig die het gesprek aangaan – ook als dat rommelig, imperfect of ongemakkelijk is.
Dat vraagt om mildheid naar de ander. We moeten vaker stilstaan bij de vraag wat onze reactie bijdraagt. Maakt die het gesprek rijker? Helpt het iemand zijn boodschap beter over te brengen? Of bevestigen we vooral ons eigen imago als toeschouwer die boven de situatie staat?
Het is tijd dat we onze cringe-reflex eens onder de loep nemen. Dat we de neiging tot plaatsvervangende schaamte niet direct omzetten in afwijzing, maar in nieuwsgierigheid. Want achter elke onhandige, emotionele of ‘cringe’ geformuleerde bijdrage kan een gedachte zitten die het waard is om gehoord te worden. Mijn vraag is of we die gedachten nog durven te horen.
Oorspronkelijk verschenen in de Volkskrant, 24 augustus 2025
Lees ook: Prestatiedruk is geen individueel falen, het is een systeem dat jongeren in de tang houdt en We moeten de roman voor jongeren weer sexy maken.

Geef een reactie